Veelgestelde vragen over Taalvisite

1. Hoe weten jullie dat de kinderen een taalachterstand hebben?

Kinderen worden aangemeld door Delftse basisscholen (DOK Educatieabonnement is vereist) en door voor- en vroegschoolse peuterspeelzalen. Het uitgangspunt is dat de kinderen een lage woordenschat, moeite met zinsopbouw of begrijpend lezen hebben.

2. Stuurt DOK zomaar een vrijwilliger naar een gezin?

De vrijwilliger krijgt apart een intakegesprek. Zowel de vrijwilliger als het gezin moet aan een aantal voorwaarden voldoen. De vrijwilliger moet in het bezit zijn van een bewijs van goed gedrag, afgegeven door de gemeente Delft.

De leerkacht of peuterleidster voert een intakegesprek met de ouders en bepaalt of een gezin in aanmerking komt voor Taalvisite. De eerste kennismakingsbijeenkomst tussen vrijwilliger en gezin vindt altijd plaats in DOK. Het gezin tekent dan ook een intentieverklaring, waarin duidelijke afspraken staan. We hebben ook regelmatig contact met de vrijwilliger en het gezin over de voortgang.

3. Na 15 weken zit de taak van de vrijwilliger erop. Wordt er dan door de ouders voorgelezen?

Bij het eerste Taalvisitebezoek vragen we de gezinsleden als tegenprestatie lid te worden van DOK. Samen met de vrijwilliger bezoekt het gezin de bibliotheek. Hierdoor wordt een bibliotheekbezoek een gewoonte en bezoeken de ouders en hun kind regelmatig de voorleesactiviteiten. De ouders worden natuurlijk gestimuleerd om te gaan voorlezen, in het Nederlands of in de eigen taal.

4. Helpt Taalvisite?

Maar liefst 95% van de kinderen gaat vooruit in hun leesvaardigheden. De grootste winst is dat ze plezier in lezen krijgen. Hierdoor gaan de kinderen automatisch meer lezen, wat een enorme taalwinst en vergroting van de woordenschat oplevert. DOK en de onderwijsinstantie evalueren de voortgang van elk kind.

5. Kunnen de ouders niet zelf voorlezen?

Helaas is niet elke ouder in staat om zijn kind optimaal te begeleiden en voor te lezen. Dit komt omdat de ouders niet of onvoldoende Nederlands spreken of laaggeletterd zijn. Maar binnen een gezin kunnen ook andere omstandigheden van invloed zijn: een ziek kind, scheiding, ziekte van de ouder etc.

6. Is een uur voorlezen niet saai?

Een uur lang lezen is inderdaad lang, zeker voor jonge kinderen. Daarom lezen we niet alleen voor, we doen ook taalspelletjes met de kinderen. Ook worden er liedjes gezongen en er wordt gepraat met de kinderen.

7. Behoort taalonderwijs niet tot het takenpakket van school?

De kinderen die doorverwezen worden naar Taalvisite kunnen hun achterstand zonder extra begeleiding niet meer inhalen. Bovendien is, door allerlei bezuinigingen in het onderwijs, individuele begeleiding onder schooltijd bijna niet meer mogelijk. DOK is voor de scholen een ondersteunende partner in het lees- en taalonderwijs.

8. In Nederland leert iedereen toch lezen en schrijven?

In Nederland is 10% van de bevolking laaggeletterd. Dit zijn 1,5 miljoen inwoners waarvan 1 miljoen autochtone Nederlanders zijn. Ook betreft het niet alleen oudere mensen, 15% van jongeren in de leeftijd van 15-25 jaar is functioneel laaggeletterd.

9. Is het erg als je niet goed leert lezen?

Als lezen moeilijk is, word je beperkt in je dagelijks leven. Op school is taal voor alle vakken essentieel: zonder goede leesvaardigheid kun je moeilijk nieuwe informatie leren of opdrachten goed uitvoeren. Ook na school blijft taal en leesvaardigheid belangrijk, bijvoorbeeld bij het schrijven van (sollicitatie)brieven, het doen van een belastingaangifte, communiceren via e-mail, het volgen van het nieuws, informatie zoeken op internet enzovoorts.

10. Hoeveel medewerkers van DOK zijn voor Taalvisite werkzaam?

Taalvisite is een arbeidsintensief project. De gezinnen en de vrijwilligers moeten goed worden begeleid, twee medewerkers van DOK besteden hier veel aandacht aan. DOK overlegt regelmatig met het onderwijs over de voortgang van Taalvisite. Voor de vrijwilligers organiseren we regelmatig bijeenkomsten en workshops.